|
Annick's
Columns
|
columns
|
|
| HERFST | ||
|
De wind fluit, loeit en stampt langs mijn huis. Onrust, dikke onrust. Ik zou mijn spijkerbroek aantrekken en mijn regenjack. Misschien zelfs mijn regenbroek. Ik zou op mijn fiets stappen en de slagregens en narigheid trotseren. Storm, flinke windstoten, oppassen niet op de weg geblazen te worden. Bij elke hoek alert op windvlagen. Ik zou de stad inrijden, biertje doen met wat vrienden. Bijkletsen, lachen, veel lachen, veel bier. We zouden wat eten, koffie met drank na en dan weer bier. En lachen. De storm zou buiten blijven. We zouden elkaar knuffelen laat op de avond en naar huis gaan. Tenminste, zij wel. Ik zou naar mijn stamkroegie gaan want ‘hee’, de kroegen zijn nog open. Ze zouden er weer zijn, de gasten op hun vaste plek en ik zou zoals gewoonlijk warm en wazig worden opgenomen in hun midden. Bier, veel bier, in het tempo van de alcoholist die al lang de tel kwijt is. Meestal twee glazen tegelijk, rondje na rondje. Niemand is een krent en iedereen heeft dorst. We zouden lachen aan de bar en slap ouwehoeren en soms ineens diepe gesprekken hebben want drank doet stromen. We zouden brallen, nog meer bier en ik zou stralen. Grote grijns, hevig stuiterend, vrolijk. De kroeg zou sluiten maar ik zou met enkele nachtvlinders doorgaan, naar een andere kroeg, een club, of met een groepie bij iemand thuis belanden om muziek te maken en verder te drinken. We zouden door en door, we moesten door en door, want stoppen kunnen we niet. De nacht is vol onrust, en wij ook. We zouden drinken, praten, lachen, veel lachen, veel drinken. Dansen misschien, of zingen. Misschien even zoenen, voor de gezelligheid, en daarna vooral weer door, stuiteren, onrust, fladderen van feest naar feest. We zouden nog in een vage tent belanden waar ik nog nooit geweest was volgens mij. Maar dat zei ik elke keer als ik daar was zeiden zij. Ik zou bier drinken, hoop ik. Geen whisky, want mijn tempo zou bier blijven. We zouden muziek luisteren, lachen en praten. Stuiteren, stuiteren… Ik zou uiteindelijk op mijn fiets stappen; schemering, bijna weer licht, windstoten. Ik zou afstappen om te lopen, soms hardop tegen mezelf pratend. En dan zou ik me realiseren dat ik daar liep, hardop in mezelf pratend; en lopend, wat niet opschoot. Ik zou weer op mijn fiets stappen. Het was droog inmiddels. Misschien zou ik nóg wel een stukje lopen, of een keer omvallen met mijn fiets vanwege de plots opduikende tramrails, of gladheid van bladeren. Maar uiteindelijk zou ik thuiskomen, keurig mijn fiets op slot zetten. Ik zou alle trappen omhoog komen, zelfs mijn lenzen nog uitdoen en mijn tanden poetsen en dan neervallen op mijn bed. In coma, diepe coma. De wind was even uitgeraasd, lag stil bij te komen van deze storm. De herfst was even buiten, alleen buiten. Ik zou wakker worden ’s middags, verdoofd, en weten dat de herfst voorlopig nog niet is uitgeraasd. Het wachten was op de volgende storm, de herfststorm die mijn cellen onrustig maakt, mij onrustig maakt. Mij doet razen en stuiteren. Misschien vanavond al. Ik zou… ik zou… ik zou… De wind fluit, loeit en stampt langs mijn huis. Ik sluit de gordijnen en pak een boek. Zo’n 20 jaar heeft de herfst in al zijn hevigheid in mij gewoed. Twintig jaren vol stormen, buien en onrust. Hoog tijd nu, voor een nieuw seizoen. (sprak zij hoopvol) Voorgedragen bij de Haagse Literaire Borrel van Galerie Haags. - oktober 2009 - |
||
|
|