|
Er was eens een klein jongetje dat
leefde in een grot. Een grote
donkere grot. Het jongetje voelde
zich veilig in die grot. Hij maakte
een vuurtje om warm te blijven en
regelmatig kwam er iemand bij hem op
bezoek zodat hij zich niet helemaal
alleen voelde. Maar ze bleven nooit
lang, zo had het jongetje het het
liefst.
Verder zat het jongetje dag
in dag uit poppetjes te houwen. Met
een beitel en een hamer maakte hij
uit stukken steen de mooiste
poppetjes. Alle mensen wilden wel
zo’n poppetje dus het jongetje
hoefde zich nooit te vervelen.
Nooit kwam het jongetje buiten.
Buiten was het gevaarlijk, buiten
liepen beren, buiten kon je je
bezeren, buiten deden mensen elkaar
pijn. In zijn grot was hij veilig.
De beren konden hem niet vinden en
de mensen bleven nooit lang. Soms
hoorde het jongetje geluiden van
buiten, het was altijd gebrom, het
waren altijd de beren. Ja, het
jongetje voelde zich veilig in zijn
grot.
Op een dag kwam er een meisje de
grot in. Ze zag het jongetje en haar
gezicht lichtte op. Wat een lief
jongetje!
Ga je mee buiten spelen? Vroeg het
meisje.
Nee, schudde het jongetje, en ging
door met zijn stenen poppetje.
Maar het is mooi weer, we kunnen
plezier maken, zei het meisje.
Ik ga nooit naar buiten, mompelde
het jongetje.
Het meisje keek om zich heen. Wat?
Ben je altijd hier? In deze grot? Ik
vind het hier maar donker, en koud,
ze rilde. Kom mee, buiten schijnt de
zon.
Het jongetje schudde harder met zijn
hoofd. Buiten zijn de beren, zei hij
toen. Ik ga niet naar buiten.
Het meisje hield haar hoofd scheef.
Ben je bang voor de beren dan?
lees
verder...
Annick Huijbrechts |